Echo ’s van de oorlog: ver weg en zo nabij.

Begin mei 2014 melden de nieuwsberichten zware geweldgolven in Oekraïne. Samen met een vijfentwintig collega’s nam ik deel aan een internationale training omtrent “trauma, trance and transformation” bij Dr. Ursula Franke en Thomas Bryson in München.  Er waren heel wat deelnemers uit Oost Europa. Roemenen, Russen en Oekraïners. Een Russische man had een Oekraïense vrouw. Zij woonden in München. Haar familie was nog in Oekraïne. Ook al waren we in de groep allen vredelievende mensen, op de een of andere manier was de spanning te snijden. De oorlog, met heel zijn dynamiek en energie, was in en rondom ons aanwezig. En, of we het wilden of niet, we zaten er allen in en de oorlog, of het verzet ertegen, woedde in allen van ons. En precies dat maakte dat voor enkele mensen deze vijfdaagse een grote doorbraak kon betekenen.

Oorlog baart oorlog.
We lezen Heraclitus de duistere: “De oorlog is de vader van alle dingen”. Deze uitspraak dateert van ongeveer 500 jaar voor onze tijdrekening. En ook Aristoteles: “het doel van oorlog is vrede”. Oorlogen vernietigen en oorlogen scheppen.  Geweldig, meedogenloos. Zij zijn een grensverleggende bron van wetenschappelijke ontdekkingen (atoombom) en kunst (Britten: war requiem). En ook van de grootsheid en laagheid van ons mensen. We treffen verraders en helden.
Onlangs zei een vriend: we hebben er geen flauw benul van welke gevolgen de eerste wereldoorlog nog steeds heeft. En verder nog: kijken we naar het Europa van de laatste tien eeuwen, dan zien we hoe de ene oorlog de ander tot gevolg heeft. Wat doet dit met een mens? Wat doet dit met de mens?

Het schoonste en het lelijkste.
Oorlog behoort bij mensen, in alle tijden. Etymologisch verwijst oorlog naar “noodlot als wat voor de mens is neergelegd”. Ieder heeft ermee te maken. Als het niet persoonlijk is, dan toch iemand in de achtergrond van de familie. En iedere familie heeft leden die in de oorlog betrokken zijn geweest. Op welke manier ook.
Zo was een broer van mijn overgrootvader langs vaderszijde in de eerste wereldoorlog actief. Wellicht was hij bij een gewelddadige actie betrokken waarbij doden vielen. Wat hij precies heeft gedaan, weten we niet. Dat bleef met zwijgen omhuld. Als er al iemand het zou weten, dan zijn dit zijn vrienden, die betrokken waren bij de actie.
De mensen van zijn generatie hebben veel meegenomen in hun graf. Dat lezen we ook in het gelauwerde boek “Oorlog en terpentijn” van Stefan Hertmans. Ontdaan van alle romantiek en heldendom, beschrijft hij de dagelijkse gang van zaken in de loopgraven. Jongens zien hoe hun makkers worden neergeschoten, een lichaamsdeel verliezen, de buik wordt opengereten en de ingewanden eruit komen te puilen. Om nog maar te zwijgen van de stank van de angst in de vorm van pis en stront in de loopgraven. Veel van deze jongens zwegen en bleven zwijgen, ook toen ze man en ouderling geworden zijn.
In de tweede wereldoorlog werd een nonkel van mij gedwongen om voor de Duitsers te werken. Onder gewapend toezicht stapte hij van de Kempen een heel eind Duitsland in. Hij heeft ginder honger gehad. Voor een kleine boer was het niet makkelijk zijn oudste zoon te missen. Zo hebben mijn grootouders, met mijn vader en de rest van het gezin ook zwarte sneeuw gekend en honger geleden.

Dieter, Helmut en twee andere jongens…

Er is ook nog een heel ander oorlogsverhaal. Van mijn grootouders langs moederszijde. Hun boerderij was tweemaal afgebrand en “den Duits” had de paarden meegenomen. Op het einde van de oorlog, toen de Duitsers zich terugtrokken, klopten vier jongens van hoopenal  17-18 jaar aan. Dieter, Helmut en nog twee anderen. Ze waren verdwaasd, bang en uitgehongerd. Grootmoeder gaf ze boerenkleren en een klak. Ze zagen eruit als knechten en deden alsof ze meewerkten op de boerderij. Zo leefden ze een aantal weken ondergedoken op het erf tot ze dan door de Amerikanen werden gerepatrieerd. Grootvader en grootmoeder riskeerden veel: mochten de jongens gevonden zijn, dan zouden zij als collaborateurs bestempeld en gestraft worden. Terwijl ze in deze jonge soldaten slechts twee jongens zagen, iets ouder dan hun eigen kinderen, en ze hen van de waanzin wilden redden.
We kunnen ons vandaag het impact, de omvang en nasleep van de oorlog niet goed voorstellen. De “dood” was immers overal rondom aanwezig en de opdracht was overleven. Liever ik dan jij. Net voor de Duitsers de oorlog verklaarden aan de buurlanden en alzo de tweede wereldoorlog losbrak, konden we in Duitsland zelf al over een burgeroorlog spreken. “Direct na de machtsovername was een enorme modderstroom van verraad losgebroken. Vaders gaven hun zonen aan, zonen hun vaders, vrouwen hun mannen in de hoop uit het nieuwe regime voordeel te halen , of gewoon uit wraakzucht, haat, uit laagheid. Het lage kwam overal naar boven…” (Ernst Weiss, “De ooggetuige”).
Inderdaad, we horen ook dat de oorlog het schoonste en het lelijkste in de mens boven haalt. We weten niet wat de oorlog met ons mensen doet, en vooral niet met de mensen van mijn generatie en later, die nog geen oorlog aan den lijve hebben meegemaakt, gedaan heeft en hoe die systemisch nog werkzaam is. En verder nog: hoe werkt de oorlog nog steeds door op het niveau van het collectieve geweten? Wie is nog steeds uitgesloten? Wie of wat moet er nog vereffend worden en door wie wordt dat gedaan?

Een spiegel vanuit de verte.
In 1978 publiceerde  Barbara Tuchman “A distant mirror”. In het Nederlands vertaald als “de waanzinnige veertiende eeuw”. Het verhaal van het boek is opgehangen aan de levensweg van de Picardische edelman Engelram VII van Coucy. Het boek getuigt inderdaad van de duistere kant van de middeleeuwen. De voortdurende oorlog tussen Frankrijk en Engeland. In deze tijd wordt er nog gestreden met open vizier: men ziet de tegenstander, men vecht man tegen man. Er is list, strategie. We treffen ook verraad, slachtpartijen, plunderingen. De angst is voelbaar. Er heerst ook hongersnood in Europa. Maar boven alles hangt de pest als een zwarte sluier over dit tijdperk. De pest doordringt alles en grijpt overal om zich heen, over heel Europa. De bevolking van – voor die tijd – grote steden, wordt gehalveerd, gereduceerd tot een derde zelfs. In alle steden zag je de pestmeesters: mensen in beschermende pakken – het beeld van de vogelkop met grote bek is mij steeds bijgebleven – om zieken te onderzoeken en genadeloos van de gezonden te scheiden, om erger te voorkomen. In de loop van een eeuw woedde er vier pestepidemieën doorheen Europa. Wat een tijd. Op zoek naar de schuldigen, werden de Joden ook toen al als zondebok aangewezen. Ze werden in het beste geval verjaagd en verdreven. Maar vaak gepijnigd en vermoord.
Bij het lezen van het boek kan je niet aan de vraag voorbij of de mens nu veranderd is? Wat hebben we geleerd in die 600 jaar? Het antwoord is kort en pijnlijk: niet veel. Het lijkt of de ondeugden die we in Dante’s  Devina Commedia terugvinden, nog steeds even krachtig en weelderig aanwezig zijn. Nijd, jaloezie, hebzucht, wrok, luiheid, hoogmoed, gulzigheid, traagheid… Ze zijn er nog steeds.
Stel je nu voor dat in 2600 een historicus vanuit een analoog perspectief een boek zou schrijven over de 20ste eeuw? Wie of wat zou de verbindende draad zijn van het verhaal. Wat zou hij zeggen over de mens van vandaag en zijn ondeugden? Zou het fundamenteel zo anders zijn.
Ook al mag de context dan gewijzigd zijn. In de twintigste eeuw hebben we nog weinig te doen met de pest. De pest is wellicht vervangen door kanker. De honger is gemondialiseerd, net als de oorlog.  De media maken alles dagelijks zichtbaar, en tegelijkertijd worden we ongevoeliger voor onrecht en perversie. Centraal in de verklaringsmodellen zullen we begrippen vinden als wetenschap en technologieontwikkeling, kapitalistische productiewijze, ecologie, geopolitiek.
De twintigste eeuw is net begonnen als de grote oorlog uitbreekt. Anders dan vroeger is de tegenstander onzichtbaar geworden. Hij valt aan vanuit de lucht en van onder water. De soldaten sneuvelen niet meer op de eerste plaats door man aan man gevechten. In de tweede wereldoorlog zien we hoe de vertechnologisering van de oorlog toeneemt.  We stellen dit in opgaande lijn vast in Korea, Vietnam, Indochina, Palestina, de Balkan, Afghanistan, Irak, om er enkele te noemen. Verbijsterend gruwelijk zijn de etnische zuiveringen en volkerenmoorden. In het begin van de eeuw in Armenië, dan de Holocaust, Kosovo, Rwanda …  En de burgeroorlogen die de continenten treffen: Zuid-Amerika, Afrika, Azië. Wat een waanzin, die twintigste eeuw!
En wat met de eenentwintigste: Oekraïne, Centraal Afrika, de gruwel in Syrie…

We zijn allen erfgenamen.
Of we nu willen of niet, we dragen allen deze oorlogen, dit geweld in ons mee. Oorlog baart oorlog. We dragen de gevolgen collectief en we dragen ze individueel. In de rouwpsychologie stellen we vast dat er voor iedere gestorvene gerouwd moet worden. Verguist de ene generatie dat – om welke reden ook – , dan wordt de opdracht doorgeschoven naar de volgende. Iemand gaat allerlei symptomen vertonen, die niet makkelijk te verbinden zijn met het sterfgeval van een vorige generatie. In mijn praktijk kwam ik meerdere situaties tegen waarbij de symptomen zich terugtrokken uit de cliënt van zodra hij/zij gerouwd had om een familielid dat was omgekomen bij het historische bombardement van “de Gevaert” in Mortsel. Toen brak op korte tijd de hel los, was overal rondom vuur  en chaos. Geroep en geschreeuw van mensen. Ouderlingen, volwassenen, kinderen. Niemand werd ontzien. Gezinnen werden verscheurd. En het leven moest verder. Het leven ging verder. Voor het rouwen, het rauwe rouwen om de geliefden die plots aan het gezin en de familie waren ontrukt, was geen tijd, was geen plaats. Psychisch niet. Materieel vaak ook niet. Alles stond in het teken van overleven, verder leven.
De overledene rust pas in vrede, als een van de nakomelingen (kleinkind, achterkleinkind, of wie het ook mag zijn) waardig afscheid van hem genomen heeft.
De Duitse psychoanalyticus Alexander Mitscherlicht leest in de gesprekken met zijn patiënten een ondertoon die op een collectief onvermogen om te rouwen wijst. Blijkbaar volstaat niet alleen rouw van individuen, maar is er ook een collectieve beweging nodig. Inderdaad. De holocaust vraagt om iets dat de individuele inbreng van de betrokken daders overstijgt. Voor wat of wie zouden ze immers rouwen? Thuis, eens ontdaan van het uniform, waren velen van hen minzame echtgenoten en eerbiedwaardige vaders. Het collectief is hier een hele natie, het Arische ras, dat zich dient te veront-schuld-igen bij de buurlanden, de Joden, de Roma en ook bij de eigen bevolking. Allen hebben immers een immense prijs betaald voor de oorlog, die niemand gewild heeft, maar waaraan quasi iedereen heeft meegedaan of in betrokken werd. Dit maakt dat ieder besmet is. De een al meer dan de ander. Maar allen hebben we ermee te maken. Allen dragen we een stukje oorlog in ons en onbewust blijft die ook vandaag nog in families zijn gang gaan. En sommige familieleden worden door deze oude patronen in dienst genomen, en andere weer niet.  Maar er is in iedere familie er wel “eentje” die het moet doen.

Onverklaarbare symptomen.
Etymologisch verwijst symptoom naar “iets dat ons overkomt,  dat gebeurt, dat ons te beurt valt, en dit met een negatief karakter: het toeval is een ongeval”. Vaak zien we mensen met allerlei symptomen kampen die we in het biografisch leven van die persoon niet goed kunnen plaatsen, niet kunnen verstaan, begrijpen, zinvol duiden. Soms spreken we ook met ons hart en dan zeggen we: dat heeft hij/zij toch niet verdiend?  Of waaraan heeft ze dat nu verdiend? Ik herinner me een artikel met als titel : “als het kwade goede mensen treft”, gebaseerd op het gelijknamige boek van H. Kusner. Hier wordt het symptoom nog in een andere orde geplaatst. Soms rest ons alleen nog troost, en dan wordt die in de spiritualiteit gezocht.
Symptomen kunnen allerlei vormen aannemen, en hun herkomst en betekenis is zowel in de biografische als systemische dimensie moeilijk te duiden.
We stellen dat de voortdurende sfeer van oorlog een voedingsbodem is voor (voorlopig) vier structuurmomenten, die, zoals een holon, op zich staan en toch ook weer onderling verbonden zijn en elkaar wederzijds beïnvloeden, waarop en waarbinnen allerlei symptoompatronen en syndromen zich kunnen enten en ontwikkelen. 

We herinneren ons Shakespeare: “in oorlog en liefde is alles toegestaan”. Een eerste structuurmoment waarop de oorlog onbewust onschatbaar veel invloed uitoefent is de relatie tussen mannen en vrouwen, vaders en moeders en impliciet, zonen en dochters.. Hoe is het voor mannen zelf als ze niet bij hun vrouw en gezin kunnen blijven en elders worden ingezet. Wat doet dit met hun vrouwen? Hoe kijkt een dochter innerlijk naar haar gebroken vader, en een zoon naar zijn verdrietige moeder? Hoe worden relaties beladen: wie mag welke plek innemen, wie geeft en wie neemt en moet of kan er iets vereffend worden? En hoor je er als man in wezen nog bij? Welke beelden ontwikkelen zich over wat mannen (moeten) zijn, over wat vrouwen (moeten) zijn, over mannelijke en vrouwelijke identiteit, over vertrouwen, over liefde, over verlangen en begeerte…

Een tweede structuurmoment is dat van de waanzin. Oorlog is waanzin rondom je heen. Gezond verstand, waarden, waardigheid, duidelijkheid, stabiliteit, identiteit… gaan op in de roes om te overleven. En wat als je niet kan vluchten en niet kan vechten? Als de chaos apocalyptisch wordt? Als alles om je heen overdonderend is, teveel voor een mens en voor een groep mensen? Wie overleeft neemt een trauma mee, overleeft misschien wel dankzij het trauma. Psychisch passen wij ons daarna aan aan nieuwe omstandigheden. De energie van dit overlevingsmechanisme blijft in het lichaam en onbewust in de geest aanwezig en zoekt een uitweg via allerlei psychische en lichamelijke symptomen. Ook in de biografisch psychologie gaat meer en meer aandacht uit naar het trauma als oorsprong van psychische en psychiatrische ziektebeelden, verslaving en andere destructieve patronen. Een ziektebeeld van vandaag kan dus een verborgen loyauteit zijn naar iemand van een vorige generatie, die op zijn beurt de gevolgen van een eerder trauma symptomatiseert.

Het derde structuurmoment is dat van het geweld. Oorlog is vaak bron en, quasi altijd, voedingsbodem bij uitstek voor dader-slachtoffer energie. Steeds is er nog wel een rekening die vereffend dient te worden. Steeds is er wel een plek die door iemand onrechtmatig wordt bezet en dus afgenomen dient te worden en iemand die uitgelsoten wordt. Er is fysiek geweld, psychisch geweld. Een bijzondere categorie is het sexueel geweld. In de Balkan en in Afrika zagen we hoe verkrachting als wapen werd ingezet. Sexueel geweld gedijt goed in daderslachtoffer energie omdat er zoveel stilte, zoveel zwijgen rond hangt.  Het geheim voedt zich met zichzelf. Zo gaat het erop lijken dat daders altijd ook slachtoffer zijn, en slachtoffers altijd ook dader.
Dader/slachtoffer energie beperkt zich niet alleen tot de strijd zelf. Alles wat met de oorlog te maken heeft, met het schoonste en het lelijkste van de mens, kan zich uiten in deze energie. Zo ook wie winst gemaakt heeft bij het lijden van anderen, of zich verrijkt heeft ten koste van anderen, wie eigen mensen verraden heeft… Zowel dader als slachtoffer, van welke vreemde origine ook, dient gezien te worden en een plaats te krijgen in het systeem, zegt Bert Hellinger.

Het vierde structuurmoment is de dood.  Welke plaats neemt de dood tijdens en na de oorlog in, in het bewustzijn van mensen? Mag je het leven ten volle nemen als een familielid gesneuveld is of iemand ziek is en zijn/haar leven niet ten volle kan nemen? Mag je zelf voluit gaan? Zijn er veel voorkomende ziekten in de familie en onderneem je de juiste acties om hier vrij van te komen? Momenteel manifesteren zich nogal wat ziekten die op een verlies aan levensenergie wijzen, op een vermindering van immuniteit zelf. Het lijkt erop dat het zelfherstellend vermogen dat eigen is aan elk levend systeem, bij ons mensen wordt aangetast. Hoe individueel en persoonlijk het ook mag lijken, sterven en dood gaan blijken familiethema’s bij uitstek te zijn waarin verborgen loyauteiten vrij en gretig hun weg kunnen gaan. De dood zit vaak heel onzichtbaar en diep in de onderstroom van een systeem verweven. Dit zowel bij personen, families als organisaties.

Kan overleven terug leven worden ?
We organiseren omtrent ieder structuurmoment een driedaagse. Hellinger spreekt van “het leven nemen, helemaal”. Dit is wat we in deze workshops doen.  Leven nemen. En we gaan het gesprek aan met elementen in ons bewustzijn die transpersoonlijk zijn, systemisch.Veel pijn, en zeker oude pijn,  is omgeven met schroom en schaamte, is beladen door schuld.  Soms heeft ze een kwaliteit van straf, van boete. We gaan het gesprek met onze familiewortels aan, en indien nodig, met collectiviteiten die onze familie overstijgen – en hier situeren zich vaak de oorlogsverhalen.
Waar nodig gaan we nog een stap verder en begeven we ons in de mystiek. Soms is een duik in de donkeren nacht van de ziel (Johannes van het Kruis) nodig om tot verbinding en heling te komen. Dit is het gebied waar Bert Hellinger naar verwijst als hij de laatste jaren over “de bewegingen van de geest“ spreekt.

Telkens drie dagen met heel veel stilte, met heel veel plezier en humor ook. Drie dagen waar plaats is voor blijheid en vreugde, en (oude) pijn niet (langer) uit de weg gegaan wordt. Dagen dat er gelachen kan worden en vooral, dat er diep geademd kan worden en dat de vreugdevolle energie die ieder van ons in zich meedraagt, voelbaar wordt. Drie dagen waarin het verlangen om echt te leven en het leven te delen, helder en krachtig mag worden. Drie dagen waarop jouw verlangen aangeraakt wordt en waarin de beweging op gang komt die zich de volgende maanden kan ontvouwen en zijn bestemming naderbij kan komen. Een verlangen ook om zelf ons eigen leven te nemen op te nemen om zo onze kinderen vrij hun toekomst te laten nemen, in ieder geval  onder ons stuk.
Drie dagen waarin we naar ons leven kijken, ons door iets groters dan onszelf laten raken, en energie en vrijheid op doen om dit leven vast te pakken en meer vrij en gepast vorm te geven.
Drie dagen van loutering en zuivering, van ontmoeten en ja-zeggen !

We starten met een zomertweedaagse omtrent het eerste structuurmoment: Man, vrouw, kind, wezens van verlangen, 30 en 31  juli 2015.  Graag inschrijven met een mailtje. Informatie en instructies volgen.

Johan Smets